
‘Ik heb wat voor, Fons,’ zegt Felix.
Hij, Fons, reageert niet direct, hij laat Felix de tijd,
hij kent hem.
Ze zitten naast elkaar op de bank, in de zon, en kijken
uit op het binnenplein van de abdij. Op deze eerste lentedagen zijn er
wandelaars zat, ze kuieren over het plein, nemen kiekjes, tonen hun kinderen
dingen. Weinigen gaan de kerk of de Tiendenschuur binnen. Voor de boekhandel
staat een groep fietsers, iemand geeft uitleg. Het gras is van het groenste
groen, de bomen komen tot leven, de lucht zit vol gevederde liefde, de zon
jaagt de pijn uit zijn oude heupen. Vandaag begint de lente.
‘Ik weet niet goed wat ik ermee moet aanvangen.’
Hij kijkt Felix aan en wacht. Ze hebben tijd. Ze zijn
allebei oude mannen, ze hebben een lang leven achter de rug en kennen de
onbelangrijkheid van het bestaan. Straks, als ze er niet meer zijn, gaat alles
gewoon zijn gang, de zon, de toeristen, de vogels, het gras. Dan hebben ze
niets meer voor.
Negenhonderd jaar leefden ze hier in Tongerlo, de
Norbertijnen, en straks staat hier alles leeg, verstijft het allemaal tot een
museum, een oude prentkaart, een foto in een boek. In juni gaat Felix naar een
rusthuis, ergens in Oost-Vlaanderen. Ze zullen elkaar niet meer zien, hij raakt
ginder niet.
‘Er was weer een lek,’ zegt Felix. ‘In de gang van het Bisschopshuis.
Er viel een stuk uit de zoldering, bijna op mijn kop. Wat stenen, gruis, en een
pakje. In een doek. Ik heb het op mijn kamer te drogen gelegd.’
‘Een pakje verdorie. Recht uit de hemel.’
‘Er zat een boek in. Nat en rot.’
‘Nat en rot, wel wel.’
‘Het lijkt me erg oud.’
‘Wat niet.’
Een groepje jongelui komt door het poorthuis het
binnenplein op gefietst, lachend, roepend. Duiven vliegen op, mensen kijken
achterom. Het is donderdag, tegenwoordig hebben de scholieren op elk moment
vrij, geen wonder dat ze niks meer kennen. Het groepje blijft voor het Bisschopshuis
staan, er worden sigaretten uitgedeeld en opgestoken. Ze kijken naar hen,
iemand wijst, ze proesten het uit. Twee oude mannen, een in het witte habijt
van de Norbertijnen, een in een ouderwetse gewatteerde jas, een beetje onderuitgezakt
op een bank in de zon. Het zal wel grappig zijn.
‘Ik zou willen weten wat het is, voor ik er wat mee doe,’
zegt Felix.
Is Felix niet verplicht om het te melden aan de prelaat,
of aan de gemeente, of wie heeft er wat te zeggen over oude dingen die plots opduiken?
Hij kent hem, Felix geeft niet graag iets uit handen. Ze kennen elkaar al
veertig jaar, Felix was pastoor in Tongerlo, hij, Fons, was lange tijd
voorzitter van de kerkfabriek. Ze hebben nooit een kwaad woord gehad. Toen hij
in de problemen raakte, is hij gestopt met de kerkfabriek. Felix is een echte
vriend, een goed mens. Bij hem kon hij altijd terecht, in tijden van voorspoed
en in tijden van tegenspoed. Ze wandelden samen duizend kilometer rond de
abdij.